De Valse Snaar – compleet (wordt iedere week aangevuld)

In Fictie, Verhalen door Nancy Bastiaans-LommenPlaats een reactie

Valse-snaar-hele-verhaal

Wekelijks schrijft Nancy voor inParkStad een aflevering van een vervolgverhaal. De gebeurtenissen spelen zich steeds af in Heerlen. De hoofdpersonen zijn losjes gebaseerd op bestaande personen (behoorlijk losjes eigenlijk). In dit item bundelen we alle losse stukken. Hier lees je alle stukken als één geheel. Dit item zal wekelijks worden aangevuld met het nieuwe hoofdstuk.

inParkStad Advertentie

De Valse snaar

De telefoon van rechercheur Erik de Jong gaat over. Hij verlaat kort de kamer. Als hij terugkomt onderbreekt hij het verhoor waarmee collega-rechercheur André Kel bezig is. ‘Een dode in de muziekschool. Gewurgd met een snaar.’ Kel biedt aan de administratieve rompslomp rondom de arrestatie van collega Pamela (Bloedbloemen) op zich te nemen. Dit tot genoegen van rechercheur De Jong die in zijn eentje met een rotvaart naar het Glaspaleis rijdt.

Zijn lange benen voelen zwaar van vermoeidheid en zijn hoofd tolt van alle gebeurtenissen van de afgelopen vierentwintig uur. Hij kan het maar niet bevatten en praat zichzelf moed in. ‘Erik, blijf rustig, de stad heeft je nodig’. Tegelijkertijd vouwt hij denkbeeldig zijn handen en bidt dat hij deze zaak snel kan oplossen. Bij de ingang van het Glaspaleis wordt hij opgevangen door de directeur van de muziekschool. ‘Wat is er precies aan de hand?’ vraagt De Jong nadat hij zich heeft voorgesteld. ‘Komt u maar mee’. Met zijn lange stelten stapt hij achter de man aan weer naar buiten. Ze lopen naar de Pancratiuskerk. ‘Ik begrijp het niet, er was toch een dode bij u in het gebouw aangetroffen, gewurgd met een snaar?’ De directeur stopt even en zegt dat dit een misverstand is. De koster vond een dode man in de kerk, of beter gezegd, in de hal. Ik liep net voorbij toen ik hem om hulp hoorde roepen en daarop poolshoogte nam. Ik herkende het moordwapen direct als een snaar zoals deze in piano’s zitten. Ik heb u gebeld’, zegt de man en hervat zijn weg. De Jong belt zijn collega Jos van de technische dienst, dat hij naar de kerk in plaats van het Glaspaleis moet komen.

‘Dit kan niet waar zijn,’ verzucht Erik en wrijft in zijn ogen. Dit wordt geen eenvoudige klus. Het slachtoffer heeft gegarandeerd vele vijanden. Hij nam nooit een blad voor de mond. ‘Tout’ bekend Parkstad zit het hele jaar met geknepen billen te wachten op de oudejaarsconference van deze grappenmaker en hoopt voor een keer niet in de spotlights te staan. De Jong pakt zijn mobiel. ‘André kun je komen? Het slachtoffer is cabaretier Paul Dolhain.’ Na aankomst van rechercheur Kel neemt collega de Jong deze mee naar het levenloze lichaam van de beroemde en gevreesde enterainter. Voor Rechercheur de Jong zijn twee dingen kristalhelder. De doodsoorzaak (de pianosnaar om Paul zijn keel) en de complexiteit van deze zaak. Het slachtoffer heeft net zoveel vrienden als vijanden.

Doodsoorzaak

De directeur van de muziekschool heeft De Jong naar de plaats delict gebracht. De uitgebreide lezing van de beste man over verschillende type snaren, begint Erik op de zenuwen te werken. Hij onderbreekt hem en zegt: ‘Gaat u maar naar uw werk. Wij melden ons als we nog informatie nodig hebben.’ De man kijkt hem verbouwereerd aan. Erik gooit er nog snel een ‘bedankt’ uit en draait zijn rug naar hem toe. De technische recherche is inmiddels gearriveerd. ‘Godverdomme, wat hebben we nu weer aan de fiets hangen,’ vloekt Kel hardop. De Jong schraapt betekenisvol zijn keel en kijkt André aan. Kel snapt de hint en biedt snel zijn excuses aan. De koster knikt begrijpend en begint te vertellen over zijn gruwelijke ontdekking. ‘Er was niemand in de kerk. Nog geen kwartier voordat ik Paul zag liggen had ik de kerkdeuren van het slot gehaald en ben ik het oksaal opgelopen. Ik hoorde een klap en ben op het geluid afgegaan.’

Kel en De Jong doen beiden zichtbaar hun best om het gapen te onderdrukken. ‘Heren, u heeft zo te zien een zware nacht achter de rug. Wenst u misschien een kop koffie in de sacristie?’ vraagt de koster. ‘Heerlijk,’ antwoorden ze in koor en volgen de koster. ‘Wacht even,’ roept Jos en vervolgt: ‘Ik twijfel eraan of de snaar wel de doodsoorzaak is. Er zitten resten braaksel in zowel zijn mond als op zijn kleren. De vloer is voor een deel gereinigd. Ik denk dat de dader de echte doodsoorzaak heeft willen verbloemen.’ ‘Waar denk je dan aan? Vergiftiging?’ vraagt Kel. ‘Ja, dat is zeker mogelijk,’ antwoordt Jos. ‘Oké, ga verder met jullie onderzoek. Wij horen later graag meer over je bevindingen.’

De rechercheurs en de koster vervolgen hun weg naar de sacristie. De klokken slaan en opnieuw staan ze stil in het gangpad. De koster kijkt op zijn horloge. ‘Hoe kan dit nu? Het is nog helemaal geen tijd. En dan die melodie,’ zegt hij geschrokken. Kel zingt zacht mee: ‘In een discotheek, zat ik van de week.’ De rechercheurs kijken elkaar aan. ‘Hoor ik dit nu echt goed? André Hazes?’ vraagt Erik. Als Kel ja knikt, vraagt hij de koster de weg naar de klokkentoren en zet het op een rennen.

‘Aan alle eenheden, per direct versterking nodig. Pancratiuskerk te Heerlen. Zet de omgeving af,’ meldt Kel de centrale. Bij het al aanwezige team dringt hij erop aan alle uitgangen goed te bewaken. De technische dienst gaat onverstoord verder met hun werk. Ze kijken niet op van het plotselinge rumoer dat door de akoestiek van de kerk wordt versterkt. De klokken zijn inmiddels weer stil. Als Kel met getrokken wapen de trappen naar de klokkentoren beklimt om de eventueel vluchtende dader tegen te houden, valt hem op dat hij zijn altijd luidruchtige collega niet hoort. Zelfs na meerdere malen roepen, blijft een antwoord uit. Eenmaal boven, steunt hij met zijn handen op zijn knieën om weer op adem te komen. Als hij opkijkt, ziet hij Erik bewusteloos op de vloer liggen. ‘Erik? Hé De Jong, wakker worden,’ roept hij in zijn oor en schudt voorzichtig zijn schouders. De Jong brengt voorzichtig zijn hand naar zijn hoofd en kreunt als hij overeind krabbelt. ‘Shit, ik ben neergeslagen.’ Kel moet op zijn tenen staan om het gebukte hoofd van Erik te bestuderen. ‘Tja, flinke bult makker, maar geen bloed. Ben je misselijk, zie je scheel?’ vraagt hij, waarop Erik nee schudt en hem beloofd een seintje te geven als een doktersbezoek toch nodig is. ‘Heb je de dader gezien, waar is hij naartoe?’ vraagt Kel en loopt alweer naar het trappenhuis. ‘Helemaal niets gezien of gehoord,’ antwoordt Erik en voelt nog eens aan de bult die nu nog groter is.

Kel en de Jong rennen zo vlug als het kan de trappen af en botsen bijna tegen de brancard waarmee ze Pauls lichaam naar de lijkwagen verplaatsen. Ze duwen de collega’s hardhandig aan de kant om naar buiten te kunnen. Het plein is op de agenten en de inmiddels toegestroomde pers na, leeg. ‘Hoe kan de dader in godsvredesnaam zijn ontsnapt?’ vraagt Kel zich hardop af. Journalisten dringen naar voren en bestoken de rechercheurs met vragen over het slachtoffer en of er mogelijk een verband is met het Maankwartier. Woorden als ‘vastgoedmaffia’, ‘politieke moord’, ‘InParkstad’ en ‘facebookmeningen’ vliegen ze om de oren. Dan dringt een kleine dikke journalist door de menigte naar voren en vraagt naar de vermeende ruzie tussen Paul en zijn Hazesband. Kel vraagt De Jong direct uit te zoeken waar de man het over heeft en wie de bandleden zijn.

De And’re Hazesband

Erik doet een stap naar achter en kijkt omhoog. Hij duwt nog eens op de bel en hoort dan gevloek en gestommel. De deur gaat eindelijk van het slot. Slaperige ogen kijken hem door de kier aan. ‘Bent u Lars Ickenroth?’ vraagt Erik aan de op het oog slaapdronken man die nu in een halfgeopende deur staat en zijn badjas dichtknoopt. ‘Ja, en u bent?’ ‘Rechercheur De Jong. Mag ik binnenkomen?’

Erik moet met zijn lange stelten over spuitbussen en ander materiaal stappen, voordat hij kan gaan zitten. Lars verontschuldigt zich voor de rommel. ‘Gister opgetreden en straks ga ik weer verder met mijn mural op de Putgraaf. Ik heb het te druk om op te ruimen maar zeg het eens, wat kan ik voor u doen?’ De Jong valt gelijk met de deur in huis. De toch slaapkop van Lars is nu lijkbleek. ‘Paul dood, vermoord? Dat geloof ik niet. We hebben gisteravond nog een vet optreden gehad.’ Lars vertelt enthousiast over de band en is vol lof over zijn dode vriend. Over ruzies tussen bandleden weet hij niks. ‘Ik ben na het optreden gelijk naar huis gegaan, hier, het telefoonnummer van mijn vriendin Rian, zij kan dit bevestigen. Erik noteert wat nodig is en aait ondertussen met tegenzin een kat die zijn benen kopjes geeft. Net als hij er genoeg van heeft en het beest van zich weg wil duwen, ziet hij dat de kat met zijn klauwen onder zijn stoel graait en er iets onderuit trekt. Lars springt op en maakt de kat snel zijn prooi afhandig. ‘Hè, daar zijn ze. Die zocht ik.’
‘Wat is dat?’ vraagt De Jong argwanend. ‘Ach, niets bijzonders. Een pakje gitaarsnaren. Hé, maar dit is wel gek. Het pakje is open en ik mis een snaar.’
De Jong trekt zijn handschoen aan en pakt een zakje uit zijn binnenzak. ‘Deze neem ik mee voor nader onderzoek. U hoort nog van me.’

De Jong belt zijn collega Kel om hem bij te praten. ‘Kel, De Jong hier. Ik kom net bij de gitarist vandaan. Er lag een pakje snaren onder zijn stoel. De kat viste het onder de stoel vandaan. Ickenroth verbaasde zich omdat het pakje was aangebroken en een snaar miste. Wat? Bij de rest van de band hetzelfde? Hebben ze zichzelf gemeld? Op het bureau? Oké, ik kom eraan.’

In verhoorkamer één zit Kel met de heren van Wijk en Tom Feijen. De blazerssectie. Op de tafel lig een drietal aangebroken pakjes met verschillende type snaren. Erik zet zijn vuisten op tafel en kijkt André, die bijna stikt van het lachen, vragend aan. ‘Jezus André, wat is er met jou aan de hand? Sinds wanneer is een moord grappig?’ Trombonist Joep van Wijk kijkt De Jong brutaal aan en zegt: ‘Saai.’ André, die zichzelf net heeft herpakt, schiet opnieuw in de lach. Hij staat op en legt zijn hand op Eriks gespannen schouder. ‘Kom we gaan even de gang op.’

‘Godver Kel, waar slaat dit op?’ ‘Ik weet het, sorry. Ik ken de trombonist goed. Het lijkt me beter dat jij het verhoor overneemt. Vraag Nicolette erbij. Ik ga naar de locatie waar ze gister hebben opgetreden.’ Café Hazus ligt op loopafstand. Kel slentert langs de etalages. De motregen wast de glimlach van zijn gezicht. Als hij bakker Bart voorbijloopt verkrampt zijn maag. Het lijkt zolang geleden dat hij hier met Joppe zat maar niets is minder waar. In plaats van zijn weg naar het café te vervolgen, besluit hij links af te slaan, de Dautzenbergstraat in. Hij wrijft door zijn natte haar en loopt Hairmatterz binnen. Eigenaresse Peggy Vermeer is een graag geziene gast bij lokale evenementen en Kel besluit bij haar na te vragen of zij wat gezien heeft. ‘Ha schat. De hoogste tijd zie ik. Je hebt geluk, ik heb toevallig tijd,’ Peggy pakt zijn jas aan en begeleidt hem naar de stoel. ‘Zullen we die uit de hand gelopen stoppelbaard ook maar even onderhanden nemen?’ vraagt ze en knoopt de beschermdoek om zijn nek. ‘Fijn Peggy, dat je even tijd hebt. Zeg, was jij toevallig gister in Café Hazus?’

‘Och Dré, het was zo leuk. Die Paul is me toch een figuur zeg. Fantastisch.’
‘Heb je het nog niet gehoord?’
‘Wat?’
‘Paul is dood, vermoord.’
Peggy’s handen glijden van zijn haar naar zijn schouders. De schaar glijdt door over de cape. Kel springt op. ‘Wow Peg, ik wil wel graag een jongetje blijven.’
De bel kondigt een klant aan. ‘Ik kom zo bij u,’ zegt ze terwijl ze de schaar van de grond raapt. Kel kijkt verbaasd op.
‘Meneer de rechercheur, u ook hier? Wat een toeval zeg.’
‘Toeval bestaat niet, heeft u een afspraak?’
‘Nee hoor, ik kom hier om een afspraak te maken.’
‘U kunt even wachten, dan knip ik u na deze meneer,’ onderbreekt Peggy de heren. De kleine dikke man kijkt Kel triomfantelijk aan. ‘Mooi, dank u.’

Voordat ze de schaar weer in Kels haar zet, draait hij zijn hoofd schuin omhoog en vraagt om het persoonlijke onderwerp van zojuist te laten rusten. Hij ziet aan haar gezichtsuitdrukking dat ze de boodschap heeft begrepen.
‘Nu we elkaar hier toch treffen, meneer Kel. Hoever bent u met de zaak Dolhain?’
‘U kunt met uw vragen terecht bij de perschef. Zeg mij eens, meneer de journalist, wie bent u eigenlijk? Voor welke krant werkt u? Ik heb u nooit eerder gezien.’
Voordat de man kan antwoorden gaat Kels telefoon. ‘Shit, ik moet opnemen Peg. Ik ga even naar boven. Mag dat?’

Als hij terugkomt is de journalist verdwenen. ‘Waar is hij?’ Peggy haalt haar schouders op. ‘Geen idee. Ik ging een kop koffie voor hem inschenken. Toen ik terugkwam was de vogel gevlogen.’
‘Zei hij nog iets?’
‘Ja maar ik begreep er niet veel van. Hij zei dat hij het zo grappig vond dat jullie zo druk zijn met de band en al die snaren. Toen zei hij heel nadrukkelijk dat jullie op het valse spoor zitten.’
‘Valse spoor? Weet je dat zeker? Zei hij valse in plaats van het verkeerde spoor?’
‘Ik weet het 100% zeker.’

Het Valse spoor

‘En gelukt?’
‘Ja, lachen. Wat zijn ze dom.’ Hij knoopt zijn hemd en broek open en doet ze uit.
‘Help me even met dit rotding.’ Na wat gezucht en gesteun legt hij het dikmaakpak over de stoel. ‘Pf, wat is dat warm. Heeft iemand je gezien?’
‘Nee, niemand. Bij die Lars kon ik ongezien naar binnen. Hij had zijn deur niet op slot. Bij de rest heb ik ze gewoon in de brievenbus gedaan. Heb je iets van die Kel los weten te futselen?’
‘Nee, hij vertrouwt me niet en terecht.’
Hun harde lachen gaat over in Bachs Toccata & Fuga, die de ‘dikke journalist’ vol overgave op het orgel inzet.

Kel neemt afscheid van Peggy en struint met veel tegenzin naar café Ha-Zus. Bij het Glaspaleis kijkt hij naar zijn weerspiegeling in de ruit. Hij concludeert dat zijn frisse coupe en getrimde baard totaal niet overeenstemmen met zijn gemoed. Voordat hij Ha-Zus binnenloopt belt hij Erik. ‘Kel, je klinkt verrot. Wat is er?’ André laat zijn rug langs de muur glijden totdat het niet meer verder gaat. ‘Erik, ik kan niet meer.’
‘Je laat het uit je hoofd Kel. Niet alweer, hoor je me?
André laat de telefoon uit zijn hand vallen en haalt zijn drankflacon uit zijn binnenzak. ‘Het is goed zo.’

‘Kel, nondedju. Ik kan je niet altijd redden. En dan ook nog hier voor de deur, en public.’ Erik grist de flacon uit Kels hand, haakt zijn arm in de zijne en trekt hem overeind om de trap op te lopen. ‘Rustig maar lange. Ik heb het niet gedaan.’ Terwijl de mannen door de inmiddels geopende deur lopen, steekt Erik de flacon bij zich. ‘Die zie je niet meer terug,’ sist hij zijn baas toe. Kel negeert de opmerking en richt zich op de eigenaar die hem de hand reikt. Hij steekt direct van wal: ‘Het was een zeer geslaagde avond. Zoals altijd als zij hier optreden, dolle boel. Geen gekke dingen. De tent stond op de kop. Man, man, ik geloof het nog steeds niet, Paul. Waarom?’ Hij schudt met zijn hoofd en vraagt de heren of ze een drankje willen. Erik wijst het aanbod met zijn hand af en kijkt André streng aan. ‘Doe maar een spaatje,’ antwoordt deze en vraagt naar eventuele camerabewaking. Die is er, bovendien is er ook een gastenlijst. Het was toevallig een besloten avond. Kel zucht van opluchting. ‘Misschien komt er toch snel schot in de zaak.’

Als de inspecteurs afscheid nemen vraagt de eigenaar ze om even te wachten. ‘Paul vroeg me die avond om dit voor hem te bewaren. Hij was bang het te verliezen op het podium maar hij vergat het bij vertrek terug te vragen. Nu ik erover nadenk was dat wel vreemd. Paul bleef altijd hangen en nu was hij ineens weg, zonder gedag te zeggen. Dat is, ik bedoel was, niets voor hem.’ De Jong opent zijn hand waar de eigenaar een speldje inlegt. Kel pakt het uit Eriks hand en houdt het tegen het licht. ‘Mm interessant. Dankjewel.’ Kom De Jong we gaan terug naar het bureau. Er is werk aan de winkel.’

Fugu

Op het bureau vraagt De Jong aan Nicolette zich te ontfermen over de camerabeelden en gastenlijst. Kel roept zijn partner.
‘Jos heeft het pathologisch-anatomisch rapport afgegeven.’
‘En?’
‘Fugu ofwel kogelvis.’
‘Apart… en die snaar dan?’
‘Post mortem om ons het verkeerde spoor te zetten. Die journalist had het over een vals spoor, snaren, muziek, de kerk en dat speldje? De dader speelt een spel met ons. Is er een verband tussen dit alles of juist niet?’
Erik beantwoordt de vraag met een zucht, fronst zijn wenkbrauwen en wrijft over de bult op zijn hoofd.
‘Ik heb honger, ga je mee?’ Kel staat al met zijn jas aan bij de deuropening.
‘Naar de Jap zeker, Misato?’ Erik kent zijn baas langer dan vandaag. Kel knikt.

Het is druk. De heren hebben geluk dat er nog een tafel vrij is. Op de vraag of ze de eigenaar kunnen spreken krijgen ze te horen dat hij niet aanwezig is. ‘De kok dan?’ De serveerster kijkt Kel verbaasd aan. ‘Meneer, het is nogal druk zoals u ziet.’
‘Ja, ja. We wachten wel tot het rustiger is.’ Na heel wat lekkere sushi te hebben verorberd, staat de kok aan hun tafel. ‘Was alles naar wens?’ vraagt hij.
Kel antwoordt niet maar vraagt direct of de kok aan kogelvis kan komen. De kok buigt voorover en fluistert dat aan alles te komen is, als daar maar genoeg tegenover staat. De Jong staat op en overhandigt hem zijn kaartje. ‘Wilt u zich morgen op het bureau melden? We hebben wat meer vragen over hoe u daar dan precies aan zou kunnen komen.’ De kok sputtert tegen maar geeft dan zijn woord. Ze nemen afscheid. Bij de ingang komt een man hen tegemoet lopen. Kel stoot De Jong aan en kijkt opvallend naar de man zijn revers.

‘Wat doen we, André? Terug de zaak in en op de man af vragen?’
‘Nee, de kok weet dat we van de recherche zijn. Wie heeft er dienst vanavond?’
‘Anke en Hélène.’
‘Perfect, bel ze op dat ze in de baas zijn tijd en op zijn kosten sushi gaan eten.’

Eenmaal terug op het bureau klampt Nicolette ze aan.
‘Ik wil jullie iets laten zien.’
De mannen lopen achter haar aan.
‘Kijk, zien jullie deze twee mannen? Ze komen om 20:11 binnen. Hier zie je de kleinste iets aan Paul overhandigen. Zo te zien een speldje. Zien jullie hoe blij hij reageert? De mannen drinken iets en verlaten het pand. Om 22:47 lopen deze twee mannen naar binnen. De portier controleert niets. Knikt en laat ze doorlopen. Dat is vreemd, toch?’
Kel slaat op de tafel. ‘Zien jullie dat? Het is dat nare kleine mannetje, die dikke journalist.’
‘Dat is nog niet alles,’ gaat Nicolette verder. ‘Ik heb de beelden van de eerste heren en deze naast elkaar gezet. Kijk, naar de lengte. Precies even groot.’
De Jong slaat een arm om Nicolette en drukt haar even tegen zich aan. ‘ Goed werk. Je bent een kanjer. Zoek uit wie de portier is en laat hem naar het bureau komen.’

‘De Jong, we gaan naar huis. Tijd om bij te tanken. Morgen is weer een dag en ik heb zo’n gevoel dat het een goede dag dag wordt.’ Kel loopt naar buiten. Hij wandelt door het centrum van Heerlen naar zijn appartement in Bekkerveld. Deze keer met zijn hoofd en schouders recht. Na een paar stappen versnelt hij en huppelt even terwijl hij zacht ‘De hoogste tijd’ van Hazes zingt.

De volgende ochtend

Handenwrijvend en neuriënd loopt Kel de volgende morgen kamer binnen. ‘Zo, vandaag gaan we meters maken, De Jong. Hoe is het met je buil?’
Erik kijkt hem meewarig aan. ‘Je hebt het zeker nog niet gehoord hè?’
‘Wat?’
‘Zowel de kok als de portier zijn onvindbaar.’
‘Verdomme Erik, hoe kon dit gebeuren?’
‘Geen idee, maar er is ook goed nieuws. Bessems en Alzer hebben de man gesproken. Het is de eigenaar van Misato.’
‘En het speldje?’
‘Nog geen idee.’
‘Waarom is hij niet op het bureau?’
Erik haalt zijn schouders op en pakt de hoorn van de haak. ‘Ik vraag het even.’

Nicolette staat in de deurpost en wappert ongeduldig met een enveloppe. ‘Kom maar binnen Maas, wat heb je voor ons?’
‘Ik ben gister nog op stap geweest naar Ha-Zus. De mannen van de band waren er.’
‘Ja en?’
‘ Ik liet ze de foto’s van de eerste mannen zien, die van het speldje.’
‘Ja, ga door.’
‘Nou, dat zijn dus niet alleen bekende Heerlenaren. Het zijn bekende Nederlanders.’
Erik kijkt op. ‘Wat bedoel je? Dat kan niet. Ik weet alles van Bn’ers.’ Hij tikt met zijn vinger op zijn stapel lectuur.’
‘Blijkbaar toch niet, Erik. Op de foto dat zijn de heren Lindelauf. Axel van ‘The Originals’ en ex-Volumiaan en daarnaast, dat is Bas van ‘Guido’s Orchestra’. Laat Bas nu toevallig bij het Glaspaleis werken, samen met de derde persoon op de foto, Ralph Winkler (alias Ralph Lindelauf, directeur van de muziekschool.
‘Nou ja Nicolette zo bijzonder is dat toch niet?’
‘Kijk nog maar eens goed naar de foto dan.’
Kel buigt over de tafel en springt dan op. ‘ Kom op, we gaan vandaag meters maken. Te beginnen bij die Ralph. Ik zei het toch.’

Erik stapt in de dienstwagen en googelt direct op zijn telefoon. ‘Ik snap niets van dat Lindelauf-clubje. Waarom heb ik daar nooit iets over gelezen. Er is ook niets over te vinden.’
Kel snuift laatdunkend. ‘Jij ook met je lectuur. Weet je dat we die Axel al eens bij de kladden hebben gehad?.’
‘Wat bedoel je? Wanneer?
‘Heel lang geleden, het popcornincident.’
‘Was hij dat? Nou ja zeg, dat is nou niet de voorbode op een crimineel leven te noemen. Niet meer dan een kwajongensstreek. Zoiets als jij bij Bakkerij Bart.’
‘Hoe weet jij dat?’ Kel, trekt wit weg.
‘Relax man, je lijkt wel Frankenstein. Dat weet iedereen op het bureau maar niemand durft je er op aan te spreken.’
André zwijgt even en bijt op zijn onderlip.
‘Erik, bel John Jongen van de meldkamer. Ik wil straks de geluidsopname van de melding horen.’

Het is rustig in het Glaspaleis. Een receptioniste weet te vertellen dat Ralph ongeveer een kwartier geleden naar buiten is gelopen. ‘Heeft hij gezegd waar hij naar toe is?’ Ze trekt haar schouders op en schudt haar hoofd. ‘ Dat doet hij eigenlijk nooit.’ Ze klikt op de muis en kijkt op. ‘ Zijn agenda van vandaag is leeg. Svp geen afspraken inplannen, staat er.’
De mannen kijken elkaar aan. ‘Wat nu, André?’
‘Bel John maar dat we terug naar het bureau komen.’ Kel richt zich weer tot de jongedame en vraagt haar een afspraak voor hem met Ralph in te plannen.

De Beatles

‘Ha mannen, wat leuk jullie een keer hier te zien. Kom, ik heb de opname klaargezet.’ Kel en De Jong schuiven beide een stoel bij en gaan aan weerszijden van hun vriend zitten. ‘ Wacht, ik haal eerst even een koffie voor jullie. Wanneer gaan we trouwens weer eens racen?’ John staat op en loopt naar de koffiemachine. ‘Racen, verrek ja daar zeg je zoiets. De racebaan zit nog ingepakt sinds de scheiding. Zolang geleden is het dus al.’ John zet de gevulde koppen voor hun neus. ‘Zijn jullie er klaar voor?’ Hij wacht niet op hun antwoord. De band start: ‘U spreekt met Ralph Lindelauf, directeur van muziekschool Heerlen. Er ligt een dode man in de Pancratiuskerk.’

‘Hoor je dat, Erik?
‘Ja, hij is wel erg kalm en hij doet alsof het lijk een vreemde voor hem is.’
‘Klopt, maar dat bedoel ik niet. Nog eens John.’
Nu hoort Erik waar zijn baas op doelt. Op de achtergrond klinkt muziek van de Beatles. ‘Horen jullie wat ik hoor? Erik en John neuriën tegelijk ‘The yellow submarine’ en bewegen hun hoofden alsof die op een springveer vastzitten.
‘Verdomme mannen, nu even serieus. De kerk lijkt me geen plek voor deze muziek.’
‘Doe niet zo ouderwets Kel, het zijn ook gewoon mensen.’
Kel slaat zijn handen voor zijn gezicht. ‘ Erik, liggen je hersens soms nog op je nachtkastje? Luister nog eens.’
Kel knikt naar John die weer op de knop duwt. Erik hangt onderuit en gooit zijn hoofd achterover. ‘Wat stom, nu hoor ik het. Het is live gespeeld. We moeten die koster spreken. Hoe heet hij ook alweer? De spreekwoordelijk kwartjes vallen hard en synchroon: ‘ Paul Lindelauf,’ roepen ze in koor. 

‘We gaan de kerk binnenste buiten keren, Erik. Toen wij arriveerden was er niemand behalve de koster en jouw belager. Er waren al helemaal geen instrumenten.’ Erik fronst zijn voorhoofd. ‘We hebben iets over het hoofd gezien baas. Laten we gaan kijken.’ Als Kel de deurklink van de Pancratiuskerk beetpakt, slaat de kerkklok één keer. Erik staat al tegen zijn rug geplakt om naar binnen te lopen als André een stap naar achter doet. ‘Ho, wat doe je, Kel?’
‘Hoe laat is het, Erik?’
‘Twintig voor tien, waarom vraag je dat?’
Hij grijpt weer naar de klink en steekt een vinger in de lucht. ‘Hoor je dat?’
‘Nondeju, slimme paters die Lindelaufs. Een waarschuwingssysteem.
Kel brengt zijn vinger naar zijn lippen. Achter de kerkdeuren klinken voetstappen van meerdere personen. Kel duwt door en rent naar binnen. Een klik galmt na.

Erik stapt met zijn lange benen op het geluid af. ‘Hier is niets, naar boven dan maar?’ De mannen lopen de trap op naar het oksaal. Voor het eerst valt ze het orgel en de hoeveelheid pijpen op. ‘Ook hier is geen kip te bekennen.’ Erik laat zich moedeloos op de orgelkruk zakken en leunt achterover op de toetsen. De verwachte herrie blijft uit maar het begint te rommelen. Erik schrikt en springt op. Hij loopt weg van het orgel dat in beweging komt en de muur inschuift.

Down the rabbit hole

Erik en André trekken hun wapen en gaan aan weerszijden van de ontstane opening staan. Ze buigen iets voorover om in het trapgat te kijken. Net als Kel fluistert dat ze versterking nodig hebben fluiten de kogels om hun oren. ‘Shit. De Jong aan centrale, stuur versterking naar de Pancratiuskerk.’ Kel schiet blind terug en gebaart Erik weg te stappen terwijl hij hetzelfde doet. De kogelregen stopt. Gruis dwarrelt van het plafond en een klein mariabeeld valt van de sokkel. ‘Wat nu, André?’
‘We wachten.’

Stemmen en voetstappen weerklinken vanuit de diepte. ‘Ze ontsnappen André,’ Erik doet een stap naar voren en buigt voorzichtig voorover. Hij wenkt Kel hetzelfde te doen. ‘De kust is veilig.’ Na iedere trede stoppen ze even, luisteren en dalen verder af. Sirenes kondigen de versterking aan waarna ze hun pas versnellen. De gang verlicht met toortsen is leeg. Behalve gezoem horen ze hier beneden niets. Boven hen gestommel en de stem van hun collega. Kel draait zich om en kijkt op. ‘Hierheen.’ Nicolette en haar gevolg rennen de trap af. ‘Jij gaat terug Maas. Zorg dat de kerk wordt omsingelt. Ze mogen niet ontsnappen.’ Gert en Hélène lopen vooruit en gebaren telkens als de kust veilig is. Anke zorgt voor rugdekking. Ze komen bij een massief houten deur uit, waar moeilijk beweging in te krijgen is. Het zoemen neemt in volume toe. Met zijn vijven beuken en duwen ze net zolang tot de deur ver genoeg open en ze zich erdoor kunnen wurmen. De grote gewelfde ruimte is gevuld met mensen die met gebogen hoofden in een kring staan. Ze dragen een gewaad met capuchon. Onverstoorbaar humt de menigte en wijkt dan uiteen. In het midden staat een man die zijn hoofd recht. ‘Ik word gek, Erik. Zie jij wat ik zie?’

(dit item wordt iedere week aangevuld met de laatste nieuwe aflevering van ‘De Valse Snaar’ – dit is het verhaal tot en met aflevering 14)

Over de schrijver

Nancy Bastiaans-Lommen

is geboren en getogen in het centrum van Heerlen. Tot haar 36e heeft ze er gewoond en ook voor een groot deel haar werkzame leven als adviseur personeelszaken doorgebracht. Zo'n tien jaar geleden besloot ze met haar man de rust op te zoeken in het nabij gelegen Wijnandsrade. Inmiddels is ze teruggekeerd naar de stad waar haar hart ligt, Heerlen.

Reageer

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.